Goethe: Een Levensbeschrijving. D'Oliveira Elias
plots met een korten, scherp afgepunten zet, belichamend aldus de luchtige, eenigszins koude wereldwijsheid, waarmede Wolfgang zich verstandelijk troostte. Liet hij hier en daar – bijvoorbeeld in "Brautnacht"– zijn schoon verbeelden hartstocht ook dòorleven, deze heeft voor het eind van 't lied zijn toppunt bereikt en een veelbeteekenende grap toont dat Goethe zijn eigen warmte voornaam en rustig heeft doorstaan.
Men zegt dat deze liederen aan Fransche en Italiaansche voorbeelden herinneren, maar verzuimt te verklaren, waarom Goethe – die al zijn vroegere gedichten, naar bepaalde voorbeelden vervaardigd, eenvoudig in het vuur wierp – deze liederen ook in de latere uitgaven van zijn werk liet herdrukken: Vast staat dat déze vorm juist paste bij zijn blik op de dingen; hij hadd' hem dus, rusteloos zoekend, ook geheel op eigen initiatief gevonden, indien het buitenlandsche voorbeeld hem niet in dezen tijd had gevoerd tot de ontdekking van zijn stijl. Hier bereikte hij van beginne af het meesterschap. Van uitgave tot uitgave opgetoetst en ontdaan van persoonlijke elementen vinden deze liedjes ook voor zijn geoefenden smaak van later jaren genade.
Hun eigenaardige, in hoofdzaak telkens weerkeerende opbouw, de geleidelijke vervloeiing van hun geestesspanning, die maakt dat de lezer, eenmaal aan het einde gekomen, nooit aan 's dichters zelfbeheersching wanhoopt, de groote effecten, die met weinig middelen worden bereikt, het samenvallen van intellectueel en melodieus zwaartepunt – dit alles heeft in den loop der tijden verschillende componisten, waaronder Beethoven, aangetrokken: Muziek, heeft Goethe later gezegd, is het ware element waaruit alle poëzie ontspringt, en waarheen ze terugkeert. Kort na hun ontstaan reeds werden twintig liederen getoonzet door zijn vriend Breitkopf, een zoon van den Breitkopf die de noten-typographie uitdacht. Zij verschenen in 1769 onder den titel: Neue Lieder. Goethes naam is op het titelblad niet gemeld.
Zijn oude liefhebberij voor beeldende kunst meldde zich weer aan en hij ging de lessen volgen van Oeser, den directeur van de teeken-academie; een man die niet bestemd was om roem als schilder te verwerven, maar die als kunst-criticus en als onderwijzer uitmuntte. Aan hem had de vermaarde Winckelmann, de geleerde "hernieuwer" van de classieke kunst, zijn vruchtbaarste ideeën te danken. Hij kon Wolfgang, die geen eigenlijk teekentalent bezat, niet tot kunstenaar vormen, maar wel leerde hij hem: zijn oogen gebruiken. Zijn critiek, hoe grondig ook, ontmoedigde nooit. Hij bracht meer inzicht dan vaardigheid. Met geestdrift onthulde hij zijn genialen leerling het wezen der Grieksche schoonheid als "edele eenvoud en stille grootschheid". Toen begreep Wolfgang dat geen jongeling een meester kan zijn en hij vermoedde – wat hij pas later eigenlijk begreep – dat men in de werkplaats van een kunstenaar meer kans heeft wijsheid op te doen, dan in de gehoorzaal van den philosoof. Dus niet alleen de dampende flensjes hielden hem van zijn studie!
Geheel in deze geestesrichting pasten Lessings leeringen: vooral de strenge besprekingen over de grenzen tusschen Poëzie en Schilderkunst, die Lessing aan beschouwing van de classieke beeldgroep Laokoon vastknoopte, maakten op Goethe, als op bijna iederen nakomeling, een verkwikkenden en verlossenden indruk. Toen als thans waren de preekende schilders en de schilderende dichters in zwang; en nu toonde Lessing aan dat de dichter, wegens de geaardheid van zijn materiaal, het woord, niet moet schilderen doch verhalen en breede schilderingen slechts langs een omweg behoort te geven; dat de schilder zich moet houden binnen de grenzen van het schoone, niet moet vertellen of beweren, doch zijn figuren moet te doek stellen in rustende houding: Beweging het element van den dichter, schoone rust het element van den beeldenden kunstenaar; en wilde de laatste een handeling na-scheppen of een gedachte aanduiden, dan moest hij grijpen naar het zoogenaamde "vruchtbare moment" – zijn figuren een houding geven, waaruit viel af te leiden wat zij het volgend oogenblik zouden doen. Lessing bewees dan in zijn bescheiden boekje dat al wat wij in de Ouden, speciaal in Homeros, bewonderen volgens deze principes was opgezet.
In dien tijd beving Wolfgang onweerstaanbaar het verlangen, antieke beeldkunst aan zijn nieuwe inzichten te toetsen, en, zonder iemand van zijn omgeving te waarschuwen, reisde hij stilletjes naar Dresden, om daar het bekende schilderijen-museum te bezoeken. Hij had zijn naar voorbeeld gemaakte verzen voor niemand geheim gehouden, schreef zelfs vaak om zijn vrienden te bekoren. Maar zoodra er iets in hem omging dat de kern van zijn aanleg betrof, verborg hij het zelfs zijn besten vriend; daar hij zich dan helder bewust was, iets te veroveren dat nog niet had bestaan en de stoornis van hun overbodigen raad duchtte. Daarom ging hij nu ook in stilte naar Dresden. Twaalf dagen lang zwierf hij er tusschen schilderijen, en de portier, die 's morgens het museum opende, vond hem geregeld voor de poort op wacht. De Hollanders en de Vlamingen, realistische uitbeelders van forsche menschvormen, en ook de landschapschilders boeiden hem. Het gebeurde dat hij, de werkplaats betredend van den kernachtigen schoenmaker bij wien hij intrek had genomen, alles in donkerbruine kleurtonen zag, als stond hij voor een doek van Ostade. Maar hier ondervond hij de waarheid van zijn uitspraak, dat hij als jongeling nog geen meester kòn zijn: de schoonheid van de oud-Italiaansche stukken en de antieke beelden begreep hij wel, maar hij kon ze niet navoelen; hij nam ze aan op gezag. Zijn verstandelijke ontwikkeling was de ontwikkeling van zijn ziel vooruit.
Vandaar ook, dat scherpe critiek hem wel een oogenblik van de wijs kon brengen, maar niet blijvend. Zijn ziel werd er op den duur niet door gemoeid. En hij kénde het middel om de oppervlakkige evenwichts-storingen in zijn intellect te herstellen: Hij ging nu werken aan een aanklacht tegen – zich zelf, tegen den pluizenden, grilligen, vroeg-ouden menschhater, die de liefde van de frissche en goede Antje niet had gewaardeerd, en meer zekerheid had geëischt totdat hij alles had verloren, en begreep hoe dierbaar de vroegere "onzekerheid" hem was geweest. Hij had als kind een herdersspel gemaakt, zooals de Franschen die toentertijd in verre navolging van Tasso bij groote hoeveelheden fabriceerden; een spel zonder actie, waarin herders en herderinnen, zacht gekleurd en gloedglansend als porceleinen popjes, elkander zoetelijke papieren gedachtetjes over jaloezie, liefde en onschuld zeiden. Nù was hem de mogelijkheid gerezen, aan het spel een levenden inhoud te geven; en na diepgaande omwerking, waarover hij al weer het stilzwijgen bewaarde, kreeg het ongeveer den vorm waarin wij Die Laune des Verliebten thans kennen:
– Twee minnende paartjes zijn op het tooneel tegenover elkander geplaatst, kransen vlechtend. Eridon en Amine lieven elkander hartstochtelijk, maar Eridon's naijverige grillen verstoren de vreugd al te vaak. De min van Lamon en Eglé is kalmer en niet zoo veeleischend, daardoor gelukkiger. Amine's danslust leidt tot gekibbel met haar prikkelbaren herder; vergeefs tracht Eglé haar weenende vriendin tot opstand aan te zetten. Dan besluit ze Amine door list te helpen: als deze naar bal is, lokt ze Eridon in haar armen, en bewijst daardoor metterdaad, hoe weinig hij het recht heeft, zijn trouwe herderinne door verwijten het leven te vergallen.
Wolfgang schreef zijn zuster dat dit stuk naar de werkelijkheid gecopiëerd was en zeker doen de goedige Amine en de grillige Eridon aan twee, den lezer reeds bekende, personages denken. Maar de typeering van Eridon, hoe scherp ook, is vergeleken bij deze werkelijkheid, niet compleet. De vraag dringt zich op, wat Amine eigenlijk aan hem ziet? Kaatje verdroeg Wolfs grillen zoo geduldig wijl ze bekoord werd door diens genialen overmoed; en deze juist ontbreekt Eridon.
Dit verwijst naar een grondtoon van Goethes dichterschap: zijn streven naar het universeele, d.i. het algemeen toepasselijke. Ongetwijfeld, al zijn werken, sedert zijn studententijd ontstaan, zijn "brokstukken van een groote biecht"; en zijn helden dragers van d'een of andere zijde van zijn eigen karakter. Maar – en dit zegt meer – de teekening van zulke karaktereigenschappen werd gaandeweg gezuiverd van alle individueele bijmengselen; zoodat ieder, hoe overigens zijn levensomstandigheden ook waren, mits zijn persoonlijkheid maar dezen trek bezat, er zich in kon weervinden. In Die Laune des Verliebten is het hem niet te doen om den student Wolfgang, doch om den – hem onuitstaanbaar dunkenden – ziekelijk-jaloerschen jongeling in het algemeen. En aangezien men niet bepaald geniaal behoeft te zijn om zijn meisje te plagen, werd de betooverende wildheid van het model weggelaten: Er zijn veel jaloersche jongelingen, doch er is maar éen prikkelbare Goethe. – In deze beschouwing ligt opgesloten, dat in het herdersspel de liefde van Amine ongemotiveerd is, en dat dus het heele stuk op losse schroeven staat. Maar hier is tevens een onderscheiding gemaakt, die de lezer wèl zal doen tot goed begrip van Goethes later leven in het oog te houden: Goethe wil twee karakters naast elkaar plaatsen, op elkander laten inwerken: hoe ze tot elkaar komen, – daarover bekreunt hij zich allerminst!
Eenmaal